Het juiste doseren bij orale infraroodtherapie Wanneer we herbruikbare infraroodapparaten voor gebruik in de mond ontwikkelen, is het echte probleem niet alleen om het licht in het weefsel te krijgen. Het gaat ook om het beheersen van de energiedichtheid. Je moet zeer voorzichtig zijn met de hoeveelheid energie die wordt gebruikt; anders loop je het risico dat er brandwonden op de slijmvliezen ontstaan – of nog erger: dat de netvliezen beschadigen. Het is een finaal evenwicht dat behouden moet worden. We besteden veel tijd aan het bepalen van de juiste dosering, zodat de therapie effectief is, maar tegelijkertijd ook veilig voor de patiënt. Het evenwicht tussen stralingsintensiteit en dosis Er zijn twee belangrijke factoren: de vermogensdichtheid en de duur van de behandeling. Het probleem bij het gebruik in de mond is dat het weefsel dun is en vol zit met bloedvaten. Als de stralingsintensiteit te hoog is, kunnen deze oppervlaktes snel oververhitten. Om dit te voorkomen, stellen we de LED-drivers in zodat de stroomvoorziening constant blijft. Er mogen geen scherppe pieken of willekeurige hete punten zijn. Meestal werken we met golflengten tussen 600 nm en 1000 nm. Maar het echte geheim zit in het balanceren van deze golflengten met de totale energie die wordt geleverd. Het beschermen van de ogen en het diepere weefsel Het gevaarlijkste aspect van orale therapie is het toevallige contact met de ogen. We laten dit niet toe. We bouwen fysieke beschermingen en specifieke richtingen voor het licht in de apparaten. Door gebruik te maken van gecollimeerde lenzen, blijft het licht gefocust op het juiste doel. Het bereikt het doel en blijft daar, in plaats van rond te dwalen naar plekken waar het niet thuishoort. Voor het diepere weefsel geldt dat infraroodlicht dieper kan dringen dan zichtbaar licht. Dit is goed voor de genezing, maar het kan schadelijk zijn voor de structuren eronder. Daarom gebruiken we een beperkt aantal pulsjes per seconde. Hierdoor heeft het weefsel de mogelijkheid om te ademen en de hitte af te voeren. De moeilijke compromissen Het ontwerpen van zulke apparaten vereist altijd compromissen. Als we meer veiligheidsfilteren en beschermingen toevoegen, wordt het apparaat groter. Een groter apparaat is lastig voor de patiënt om in de mond te houden. Het is een klassiek dilemma: moeten we het apparaat klein en slank houden, of moeten we prioriteit geven aan maximale veiligheid? We kiezen altijd voor veiligheid. En dan is er nog de vraag naar de benodigde stroomsterkte. Apparaten met hoge vermogensverbruiken veel batterijenergie. Omdat we Li-ion-batterijen gebruiken, hebben we een krachtig batterijbeheersysteem nodig. Als de spanning van de batterij daalt terwijl deze leegloopt, verandert ook de dosis. En in dit vakgebied is ‘bijna goed genoeg’ niet goed genoeg.