
Op complexe en gevormde ondergronden presteren UV-apparaten die gebruikmaken van gallium-emitters vaak beter dan standaard UV-apparaten. Op plekken waar het licht van de reflectoren en lampen niet kan komen, blijft het oppervlak plakkerig. Dit leidt tot afval en herwerkwerk. De vraag is niet of het UV-licht het oppervlak bereikt, maar of het spectrale profiel en de ruimtelijke verdeling van het licht ook in de diepere delen van het oppervlak doordringt, zonder dat de pieken te sterk worden.
Wat technisch gezien belangrijk is:
Gallium-emitters zorgen voor een spectraal bereik van 395–405 nm. Dit past bij diklaagsfotoinitiatoren en zorgt ervoor dat de fotonen beter kunnen doordringen in het materiaal. In vergelijking met mercurium-emitters die een golflengte van 365 nm hebben, zorgt de golflengte van 405 nm voor een meer uniforme behandeling van pigmenten en andere additieven. Hierdoor wordt de verschillen tussen het oppervlak en de onderste lagen kleiner. We geven de maximale straling op het oppervlak aan in mW/cm². De uitgangssterkte blijft stabiel gedurende meer dan 5.000 uur, met minder dan 5% daling. Reflectoren gebruiken dichroïsche coatings die zijn aangepast aan het spectrum van gallium-emitters. Hierdoor wordt het bruikbare UV-licht gefocust, terwijl het infrarode licht het oppervlak niet bereikt. Het gebruik van ozonvrije apparaten is standaard. De emitter past zich gemakkelijk aan in compacte arrays, zodat de energiedichtheid over het hele gebied kan worden bepaald.
Waarom dit in de praktijk werkt:
We ontwikkelen maatwerk-UV-elementen rondom gallium-emitters, zodat het energiefeld beter kan worden geregeld. Hierdoor ontstaan er geen ‘dode zones’ meer. Door de divergentie van het lichtstraal te controleren en secundaire microreflectoren toe te voegen, kan het licht effectiever worden gebruikt in moeilijk bereikbare gebieden. Hierdoor wordt de productie versneld en ontstaan er minder fouten. Er is ook minder behoefte aan lampwissels. De energieverbruik neemt af, omdat het systeem de benodigde dosis bereikt zonder dat er te veel licht wordt gebruikt.
De praktische aspecten:
Gallium-emitters vereisen een goede thermische beheersing. Houd de temperatuur van het oppervlak in de gaten – de efficiëntie van de reflectoren kan namelijk lokale hitte veroorzaken. Voordat de emitter wordt geïntegreerd, moet de compatibiliteit met de rest van het apparaat en de geometrie van de reflectoren worden gecontroleerd. De uniformiteit van de uitgangssterkte hangt af van een precieze alignering met het te bewerken gebied. Verder is het belangrijk om het spectrum te controleren met een gekalibreerde radiometer op het oppervlak zelf, en niet op de lamp.